post

Dankwoord

Onder de titel De bovenste boekenplanken van onze vaders verscheen mijn dankwoord in het Bulletin van de Vereniging van Letterkundigen (2012/2)

Ik was dertien en mijn oog viel op het boek Turks Fruit van Jan Wolkers. Mijn vader zat het steeds te lezen en als hij even stopte legde hij het weg op de bovenste plank van zijn boekenkast. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt. Ik kon er net niet bij maar met een krukje ging het wel en op een middag dat ik alleen thuis was graaide ik het boek van de plank. Ik las het in een keer uit. Belangrijke passages bleef ik herlezen. Met kloppend hart en rood van opwinding.
De volgende dag tipte ik een paar jongens uit mijn klas. Bijna alle vaders bleken het boek te hebben, op de bovenste plank van hun boekenkast. Eén jongen vond het na een lange zoektocht onder het hoofdkussen van zijn vader. Iedereen las het. En bleef het herlezen. Na schooltijd bespraken wij de diepere lagen van het verhaal in het fietsenhok. Van ons had Turks Fruit de Gouden Griffel mogen winnen. Wij vonden het een meesterwerk.
Onze hele lagere school hadden juffen en meesters ons zoet gehouden met avonturenboeken waarin leeftijdsgenootjes de held uithingen. Ze vingen dieven, losten mysteries op en wisten zelfs draken te verslaan. Wij waren misleid. En dat terwijl al die tijd het echte leven binnen handbereik was geweest. Het speelde zich af op de bovenste boekenplanken van onze vaders. Als wij ergens genoeg van hadden dan waren het avonturen. Wij wilden het echte leven.
Zoals Wolkers schreef, zo fotografeerde Ed van der Elsken. Van hem lag ook een boek op die plank. Rauw, opwindend en ontroerend. Ik zag jonge mensen in zwart-wit die maar een paar jaar ouder waren dan ik. Ze dansten, dronken en rookten. Ze zoenden. Geen enkele andere vader had een boek van van der Elsken, of Campert, of Cremer. Toen ik vertelde dat wij ze thuis wel hadden breidde mijn vriendenkring zich snel uit.
Diezelfde middag nog beklommen wij met negen jongens de boekenkast van mijn vader. Op weg naar de bovenste plank, waar het echte leven zich afspeelde.

Bij een filiaal van Bruna viel onlangs mijn oog op PlusMagazine. Een tijdschrift voor mensen boven de vijftig die nog aan het echte leven willen blijven meedoen. Ik overwoog een proefabonnement, want ook de ongemakken van de ouder wordende man werden er openhartig in besproken. Met nuttige tips.
Maar toen belde Jan Baeke van de Vereniging van Letterkundigen, namens de Stichting Charlotte Köhler. U kunt zich misschien voorstellen hoe blij ik was toen ik hoorde dat een jury in mij een jong talent had ontdekt. Iemand met een pril, veelbelovend oeuvre. Ik voelde mij meteen weer dertien, klaar om het leven te bestormen. Ik liet het artikel over kalknagels voor wat het was en sloeg PlusMagazine dicht. Met ferme stappen liep ik naar buiten. Het leven tegemoet. Dat gevoel heb ik weten vast te houden.
Ik wil daarom de Stichting Charlotte Köhler en met name de jury, Helma van Lierop, Marco Kunst en Bas Maliepaard, heel hartelijk danken voor jullie keuze voor mij en voor de woorden die jullie zojuist aan mijn werk besteedden. Ik ben vereerd dat ik dit stipendium in ontvangst mag nemen en zal mijn best doen de verwachtingen die eraan verbonden zijn waar te maken.
Chelsea, de heldin uit mijn laatste roman Prikkeldraad, hoopte vroeger, tevergeefs, dat haar ouders nog naar boven zouden komen om haar voor te lezen uit Dikkie Dik. Dat zij nu in hetzelfde boekenfonds zit als deze icoon van de Nederlandse jeugdliteratuur doet haar enorm goed. Zij heeft er een biertje op gedronken. Ik wil daarvoor Melanie Lasance, mijn uitgever bij Gottmer hartelijk danken. Natuurlijk wil ik ook mijn redacteur Annelies Fontijne, bedanken. Met jou heb ik vanaf het begin dit bescheiden oeuvre opgebouwd. Ik hoop dat we nog lang mogen samenwerken.
Tot slot gaat mijn dank uit naar de Vereniging van Letterkundigen en het CPNB voor de organisatie van deze uitreiking. Hartelijk dank iedereen.