post

Patatje oorlog – fragment

Het handvat van het mes is voorgevormd, maar voor een hand veel groter dan de mijne. Het snijblad is gekarteld.
‘Klaar?’ vraagt Kelly.
Ik trek een afgezakt bikinibandje goed en haal diep adem. ‘Klaar.’ Voorzichtig zet ik de punt van het mes in de binnenkant van mijn hand.
‘Wacht!’ Kelly graait nog snel wat tissues uit haar strandtas en stopt ze naast het pakje sigaretten in haar bikinibroekje.
‘Klaar,’ zegt ze. Haar stem beeft. Ze zet haar handen in haar zij en ik begin opnieuw en druk het mes in mijn hand. Er schiet een rilling door mijn arm, de huid veert mee.
‘Harder,’ zegt Kelly.
‘Ik doe het harder. Dat mes is bot.’
‘Het is geen mes, het is een dolk.’ Ze maakt een korte, zagende beweging. ‘Je moet snijden, niet prikken.’
‘Neem de volgende keer een echt mes. En niet zo’n botte.’
Mijn stem beeft ook. Ik bijt mijn tanden op elkaar, leg mijn vingers in de vorm van het te grote handvat en trek een streepje over de muis van mijn hand. Er schieten tranen in mijn ogen. Het streepje wordt eerst wit, dan roze en daarna langzaam rood. Mijn hand begint te tintelen. Als ik een vuist maak komt er bloed tevoorschijn, dat voor mijn voeten in het zand druppelt.
‘Doet het pijn?’ vraagt Kelly.
‘Nee.’
‘Maar je huilt.’
‘Niet.’
‘Ik zie het.’
‘Er schoten tranen in mijn ogen.’
‘Je huilt.’
‘Het is net cola. Als je een slok neemt prikt het in je ogen.’ Ik geef het mes aan Kelly. ‘Nu jij.’
Langzaam schraapt ze met haar duim over het snijvlak en kijkt alsof ze verstand heeft van steekwapens. Dan zet ze de punt van het mes in de palm van haar hand.
‘Klaar?’
‘Klaar.’ Met een korte haal trekt ze een kleine streep over de huid.
‘Zie je dat-ie bot is,’ zeg ik. Ze steekt. Er schieten tranen in haar ogen. Het bloedt, haar vingers trillen. Ik pak ze vast en we klemmen onze handen om elkaar, zoals bij armpje drukken. Onze knokkels worden wit en ons bloed mengt zich. Het zeezout bijt in onze wonden. Mijn hart bonkt door mijn hele lijf alsof het al mijn bloed naar haar hand wil pompen. We kijken elkaar aan. De avondzon kleurt haar bruine ogen rood, alleen het binnenste blijft zwart. Diep zwart. Ons bloed mengt zich. Kelly stroomt door mij. En ik door haar. ‘Wij zijn één,’ zeg ik.
‘Voor altijd,’ antwoordt Kelly. Ik veeg met mijn wijsvinger zand van haar sproeten. Zweetdruppels lopen over haar slapen naar haar hals. ‘Ik zie mezelf in je ogen. Je huilt.’
‘Jij ook.’
‘Ik zwem in je ogen.’
Mijn haar waait op en wappert in haar mond. Kelly probeert de slierten uit te spugen, maar ze blijven plakken. ‘Je haar smaakt naar zee,’ zegt ze. Haar vingers glijden weg en mijn hand valt langs mijn lichaam, en zonder iets te zeggen gaan we op het bankje zitten; het vergeten bankje, waar nooit iemand komt, begroeid met mos en verscholen achter wilde duindoornstruiken. In de houten leuning staat een hart gekrast. Ons hart. Eromheen onze namen. ‘ Kom eens,’ zegt Kelly. Ze dept met een tissue het bloed van mijn hand en legt het daarna als een verbandgaasje op de snee. Ik sluit mijn hand.
Vóór ons staat de zon vlak boven de horizon. Hij is knalrood, nog even en hij raakt de zee. Ik trek mijn bikinibandje over mijn schouder en kruip tegen Kelly aan. ‘De zon gaat onder met een lach,’ zegt ze. ‘Teletubbies, zeg maar dag.’ Ze zwaait.
‘Dat is het voordeel van onze stad,’ zeg ik. ‘Dat we de zon kunnen zien ondergaan.’
‘Ik hou van onze stad,’ zegt Kelly. ‘Onze rotstad.’ Ze buigt voorover naar haar strandtas. Op haar rug zit een afdruk van het hart uit de leuning. Ik leg mijn hand erop en voel het kloppen onder mijn vingers.